Op deze pagina lees je alles rondom school, werk en inkomen. Wat als het niet lukt om net zoals iedereen naar school te gaan door ziekte? Hoe ga je daar met je stoma om? Kun je je werk weer hervatten nu je een stoma hebt? Of is er een omscholing nodig? En wat betreft aanpassingen op het werk? En hoe zit het met uitkeringen?
School en studie
Iedereen kan weleens tijdelijk niet naar school door bijvoorbeeld een griepje of de tandarts. Maar wat als je
chronisch ziek bent en daardoor langere tijd moet missen of het aantal uren per dag niet
volhoud?
Of dat je het tempo van je opleiding niet meer kunt
bijhouden, terwijl je er wel slim genoeg voor bent?

Het basisonderwijs. Volgens de Wet Ondersteuning
Onderwijs aan Zieke leerlingen (WOOZ, is bedoeld om te voorkomen dat zieke kinderen
leerachterstand oplopen) heeft een
kind dat ziek is recht op onderwijs. De school is in eerste instantie verantwoordelijk voor het continueren van het onderwijs als hun leerling ziek
thuis is of in een ziekenhuis verblijft.
Het is dus heel belangrijk met de school te overleggen over de verschillende
mogelijkheden. Vaak vinden kinderen die iets mankeren het fijn om zo veel
mogelijk met school bezig te blijven zodat ze aan hun toekomst werken en
niet te anders zijn dan hun klasgenootjes. Er zijn verschillende
mogelijkheden. Zo kun je als ouders samen met de school een consulent Onderwijsondersteuning Zieke Leerlingen
(cozl) van een Educatieve Voorziening
of Onderwijsbegeleidingsdienst inschakelen. Deze consulent kan helpen met
het opstellen en uitvoeren van een handelingsplan, hierin staat welke zorg de school van plan is te geven en op welke wijze.
De cozl kan contact leggen tussen ouders en leerling, school en ziekenhuis.
Leerkrachten adviseren over onderwijs aan zieke leerlingen en informeren
over het omgaan met de zieke leerling, de ouders en de groep. Het onderwijs en de begeleiding organiseren van de zieke leerling thuis, in het ziekenhuis en op school.
Onderwijs geven als de leerkrachten het onderwijs niet kunnen verzorgen,
bijvoorbeeld als de school te ver weg is van het ziekenhuis of de
leerkrachten geen tijd hebben. Informatie geven over
ziektebeelden en de
mogelijke gevolgen van ziekten en behandelmethoden (bijvoorbeeld medicijnen)
en schoolprestaties en communicatiemiddelen inzetten, zoals een computer.
Ook voor leerlingen op het voortgezet onderwijs kun je een beroep doen op de
cozl.
Daarnaast is er ook "de rugzak". Dit is een
leerling-gebonden budget die je
als het ware meeneemt in een rugzakje. Hiermee kan de school speciale
voorzieningen regelen die nodig zijn voor ondersteuning en begeleiding van
een ziek kind in regulier onderwijs. In de rugzak zit extra begeleiding,
maar ook een budget waaruit extra leermiddelen, en aanpassingen binnen
de klas of school uit betaald kunnen worden. Je krijgt een rugzak alleen
door middel van een indicatie door de Commissie voor
Indicatiestelling. Ook de rugzak is beschikbaar voor het
voortgezet onderwijs. Kijk
hier
voor meer informatie over deze rugzak. Dit
is ook een interessante website over school en ziekte.
Maar
wat nou als je in het middelbaar beroepsonderwijs zit en
je studie volgen niet meer lukt door ziekte? Allereerst
is het dan belangrijk om een WAJONG aan te vragen, dit
is een uitkering voor mensen die op jonge leeftijd al
ziek of gehandicapt zijn. Lees over dit onderwerp meer
bij "inkomen" op deze pagina. Als je graag door wilt
leren, maar je kunt het tempo van een reguliere
opleiding niet volhouden, zijn er alternatieven.
Bijvoorbeeld opleidingen als het
REA College.
Een praktijkgerichte opleiding met veel
begeleiding en aandacht voor je
persoonlijke ontwikkeling. Bij deze opleiding
is het uiteindelijk doel een baan,
tijdens je opleiding loop je stage om
werkervaring op te doen. Als je je diploma hebt gehaald
helpt een arbeidsbemiddelaar van het
REA college samen met jou met het vinden van een
passende baan. En voor als zelfs dat niet lukt een opleiding
op afstand via
internet:
Eminus.
Je wordt opgeleid voor werk dat je vanuit huis
kunt doen. Ook kun je via de
Open Universiteit
door middel van zelfstudie diploma's halen. Je hoeft
geen bepaalde vooropleiding te hebben en ze houden
rekening met chronisch ziek of andere beperkingen. Je
kunt zo bij 7 faculteiten een bachelor- of masteropleiding doen, maar ook losse modules voor
specifiek werk. Natuurlijk zijn thuisstudies van de LOI, NHA etc. ook
een optie. Zo kun je in je eigen ritme diploma's halen.
Hoe vertel je nou op school dat je een stoma hebt? Bij
kinderen is de ervaring dat ze vanaf een jaar of drie
erg gemakkelijk met hun stoma omgaan als hij al op jonge leeftijd is aangelegd. Ze nemen de stoma voor lief, ze weten immers niet beter en het is een onderdeel van hun lichaam geworden. Vaak vinden ze het zelfs
apart dat juist hun vriendjes en klasgenoten geen stoma hebben, die zijn in hun ogen
anders. Het is in deze fase heel belangrijk hoe de omgeving op het stoma reageert en er
normaal met het kind wordt omgegaan. Met het opgroeien worden
ze zich steeds bewuster dat ze "anders" zijn. Met de
omgang met vriendjes, de gym en hun eerste verliefdheid.
Het verschilt per persoon hoe hij of zij hiermee omgaat.
Dit ligt ook heel erg aan de reacties van de omgeving.
Het kan goed zijn om op school een spreekbeurt te houden,
ook omdat je klasgenoten hier vragen aan je kunnen
stellen. Op zo'n manier wordt alles bespreekbaar gemaakt. Maar er zijn ook kinderen
en jongeren die er juist niet over willen praten, dan
kan het goed zijn om er met een leerkracht of
vertrouwenspersoon op school over te praten.
Als je erover praat, blijkt er vaak meer mogelijk te
zijn dan gedacht. Soms is er de mogelijkheid om gebruik te kunnen maken
van een apart toilet om het stoma te verzorgen, of een
speciale plek of kamer waar je je stomamateriaal neer kunt
leggen. Het kan vaak opluchten om het aan directe mensen
in je omgeving te vertellen, vaak reageren ze veel
positiever dan je van tevoren dacht.
Eerlijk en open zijn over je stoma neemt fantasieën van anderen weg, en
roddels worden zo tot een minimum beperkt.
"Op de kleuterschool gaat het goed.
Iedereen in zijn klas weet dat Joey een stoma heeft, dit
hebben wij bewust samen met Joey aan de kinderen
verteld. hij heeft zelfs heel trots een rondje gelopen
om zijn stoma te laten zien en de kinderen mochten ook
vragen stellen. Het is belangrijk om dit op school te
vertellen dat de kinderen het weten want kinderen zijn
erg hard onder elkaar. Het kan gebeuren dat de stoma op school lekt en ruikt en dan is het
toch vervelend als de kinderen het niet weten en jouw
kind uitschelden of negeren. Gelukkig is dat bij Joey
nog nooit voorgekomen. We hebben met de juf een afspraak
gemaakt dat zij het stomazakje leegt en vervangt als het
nodig mocht zijn. Joey heeft geen beperkingen. Hij
slaapt zelfs altijd op zijn buik. Hij doet gewoon wat
andere kinderen ook doen. Sinds kort zit hij op zwemles, wat hij erg leuk vind om te
doen. Joey heeft zijn stoma meteen vanaf het begin
geaccepteerd. Ik heb gemerkt dat ouders er meer
problemen mee hebben dan het kind zelf."
Raymondo, Miranda &
Joey Jacobs te Waalwijk
Naar boven
Werk
Jaarlijks zijn er in
Nederland ruim 300.000 werknemers langdurig
(langer dan 13 weken) ziek. Zoals hierboven te lezen krijgt een deel van de mensen hun
stoma tijdens hun schooltijd. Er is ook een groot deel dat een stoma krijgt
tijdens hun werkende leven. Of je (weer) kunt werken nadat je een stoma hebt gekregen, ligt helemaal aan de
onderliggende oorzaak waarvoor hij is aangelegd. Er zijn mensen die gewoon weer verder kunnen met het
werk dat ze ervoor deden, anderen moeten toch voor een
ander beroep kiezen. Weer anderen blijven klachten houden door de
achterliggende oorzaak van hun stoma, en gaan parttime aan het werk.
En er is ook een deel wat nooit meer aan het werk
kan,
of wil. Na de aanleg van een stoma hervat
meer dan de helft van de mensen het
werk volledig, ongeveer 25% gaat
parttime werken en de laatste 25% keert
niet terug in het arbeidsproces (bron: het boekje "Een
stoma en dan..." van Braun). Na de operatie is het eerst zaak voldoende te
herstellen. Neem hier de tijd voor, want het is niet alleen
lichamelijk, maar ook emotioneel
een behoorlijke stap, een stoma. Vaak hebben mensen er
toch wel 3 maanden tot een jaar voor nodig om voldoende
te herstellen en te wennen aan de nieuwe dingen in hun
leven. En iedereen is hierin weer anders; sommigen
zullen sneller de draad van hun leven weer oppakken,
terwijl anderen een stuk langer bezig zijn om weer
lekker in hun vel te zitten. Sommige
bedrijfsartsen hebben nog de ouderwetse
gedachte dat mensen met een stoma nooit meer kunnen
werken. In het Handboek Arbeid en belastbaarheid
(karsdorp, 1999) staat geschreven dat stomadragers,
eventueel met aanpassingen, na de
aanleg van een stoma weer aan het werk kunnen.
Natuurlijk moet de gehele situatie worden meegenomen en
het per persoon worden bekeken.

Als eerste de mensen die weer terugkeren naar hun oude vertrouwde werkplek.
Samen met je werkgever ga je bekijken of het werk wat je
eerst deed, nu nog geschikt voor je is. Vooral
zwaar
lichamelijk werk is af te raden met een stoma.
Bouwvakker, werken op een crèche, verpleegster, het kunnen beroepen
zijn die met een stoma niet verstandig meer zijn doordat
er zwaar getild moet worden. Met de
nadruk op "kunnen", want voor veel dingen zijn
oplossingen te
vinden en iedere situatie is weer anders. Dit hele
proces noem je re-integratie. Bij de re-integratie staat centraal wat
jij -de werknemer- gegeven je medische beperkingen,
nog
wel kunt in plaats van wat je niet kunt. Dat betekent dat
je bijvoorbeeld in het bedrijf waar je werkt eventueel
ander passend werk moet accepteren en dat de werkgever dat zo nodig ook moet
aanbieden. Om
je zo snel mogelijk weer aan het werk te krijgen,
bestaan er normen voor wat werkgever, Arbodienst/
bedrijfsarts en werknemer minimaal moeten doen aan re-integratie.
Dit wordt de Wet verbetering poortwachter genoemd. Samen
met je werkgever doorloop je een aantal stappen totdat
je uiteindelijk weer aan het werk kunt, dat is het
uiteindelijke doel.

Als je
6 weken ziek bent wordt er een probleemanalyse gemaakt
door de Arbo- bedrijfsarts. De arts zet op een rijtje wat de aard van
je ziekte is en wat je wel en niet kunt. Na 8 weken
wordt er een plan van aanpak geschreven samen met je
werkgever, waarbij er rekening wordt gehouden met de
probleemanalyse. Hierin kunnen dingen staan als:
aanpassingen op het werk. Of, wanneer en onder welke
voorwaarden je weer kunt beginnen met werken. En
activiteiten die begeleiden naar ander werk. Zo kun je
bijvoorbeeld beginnen op therapeutische basis, waarbij
je gezondheid centraal staat en niet je
werkprestatie en
je daardoor rustig kunt wennen aan het
werkritme.
Of met halve dagen en dan langzaam iets meer opbouwen. Regelmatig heb je contact met de arbodienst/bedrijfsarts en werkgever
om te evalueren of het doel in de plan van aanpak nog
haalbaar is, en zo niet, dan kan het worden aangepast. Na
ongeveer een jaar moeten jij en je werkgever de stand
van zaken doornemen, wat een "eerstejaarsevaluatie"
wordt genoemd. Lukt het niet om na bijna twee jaar weer aan het werk te zijn?
Dan stelt
je werkgever samen met jou en de arbodienst/bedrijfsarts een
re-integratieverslag op. Dit verslag is een
bundeling van documenten, zoals het plan van aanpak en de probleemanalyse. Hieruit blijkt wat
jij en je werkgever hebben gedaan om weer aan het werk te gaan.
Dit verslag heb je nodig voor de volgende stap: een
WIA-uitkering
aanvragen (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen).
Dit is de opvolger van de WAO. Als er al eerder duidelijk is dat je door je ziekte niet meer
kunt werken, kun je een WIA-uitkering met verkorte wachttijd
aanvragen.
Je werkgever betaald maximaal 2 jaar je loon door (minstens
70%). Als je contract afloopt in de ziekteperiode kun je
een ziektewet-uitkering aanvragen.
Kijk
hier
voor meer informatie over dit onderwerp.

En wat als je in een uitkering zit en (weer) aan het
werk wilt? Of tijdens je schoolperiode een stoma hebt
gekregen en voor het eerst een baan zoekt? Indien je in
een uitkering zit, is het UWV verantwoordelijk voor de
re-integratie. Je kunt hierbij bijvoorbeeld hulp krijgen
van een arbeidsdeskundige of een
werkcoach. Ook kun je
via het UWV ondersteuning krijgen van een
re-integratiebedrijf. Hiervoor kun je, als je een WW- of
arbeidsongeschiktheidsuitkering hebt, een IRO aanvragen
(Individuele Re-integratieovereenkomst, je kiest dan
zelf een re-integratiebedrijf en stelt samen met dat
bedrijf een plan op om weer aan het werk te gaan en UWV
betaalt de kosten). Of, als je het werk niet meer
kunt doen vanwege een ziekte of handicap, een PRB (Persoonsgebonden Re-integratiebudget om
zelf
je re-integratietraject te regelen). Een eigen bedrijf
starten kan een interessante mogelijkheid zijn om (weer)
aan het werk te gaan. Neem ook hiervoor contact op met
het UWV.

Solliciteren... Wat vertel je wel en wat niet? En hoe
leg je het zwarte gat in je CV uit? Als je een tijdje
uit de roulatie bent geweest, of er zelfs nog niet in
hebt gezeten door ziekte, kan dit je onzeker maken. Het
kan zijn dat je een tijd bezig was met "patiënt" zijn,
en daar moet nu een ommekeer in komen. Zelfvertrouwen,
geloof in je eigen kunnen en een goed verhaal, 3
onmisbare ingrediënten bij het solliciteren. Een
werkgever wil horen wat iemand meebrengt aan kennis en
ervaring voor de functie. Het gaat om je
kwaliteiten.
Wat kun jij zijn bedrijf bieden? Het is belangrijk bij
het solliciteren vanuit het werkgeversoogpunt te kijken,
denk positief en oplossingsgericht. Een werkgever kijkt
vooral naar waar je nu staat, en niet naar je
verleden.
Met je sollicitatie zeg je dan ook: ik ben er klaar voor!
Recente werkervaring is niet het enige wat telt, het
gaat werkgevers om de kwaliteiten die je inbrengt.
Sommige dingen in je CV die jij niet van belang acht,
kunnen juist voor een werkgever heel belangrijk zijn.
Misschien heb je in vrijwilligerswerk bewezen dat je
stressbestendig bent, of een goede organisator, of heb
je een hobby wat erg veel over bepaalde eigenschappen
van jou zegt. Of heb je ondanks het ziek zijn thuis
opleidingen gedaan, waardoor je een doorzetter kunt
zijn, en leergierig. Vermeld dit soort dingen dus ook
allemaal in je CV. Werkgevers willen weten wat jij te
bieden hebt, zelfkennis is dus erg belangrijk.
Bereid je
ook voor op vragen over dat beroemde gat in je CV, dan wordt je
er niet door overvallen. Wees open en sterk
in het
gesprek. Je hoeft je zwakke punten niet uitgebreid toe
te lichten, maar geef wel eerlijk antwoord als ernaar
wordt gevraagd. Maar houd het positief, aan elke
vervelende ervaring kun je een positieve draai geven.
Het gaat om vertrouwen, beide partijen willen niet voor
verrassingen komen te staan. Je CV is overigens je
visitekaartje. Laat je daarin van je beste kant zien,
dat maakt een eventueel "gat" vanzelf al wat kleiner.

Er mag tijdens een
sollicitatiegesprek niet gevraagd worden naar je
gezondheid of ziekteverleden. Dit is vastgelegd in de
Wet Medische Keuringen. De werkgever mag
geen vragen stellen die niet van belang zijn voor de
uitoefening van de functie. Maar de andere kant van de medaille is dat je als sollicitant
verplicht bent om de werkgever alle informatie te geven die
wél van belang is. Zo kom je soms voor het
dilemma te staan: vertellen of verzwijgen?
Je stoma of onderliggende ziekte kunnen wel aan bod komen, maar
alleen in hoeverre het je functioneren belemmerd. Je mag
het bijvoorbeeld niet verzwijgen als je binnen een half jaar
nog een operatie voor de boeg hebt, of sommige taken
niet kunt uitvoeren of minder
productief bent. Stel dat
je in een dierenwinkel wilt gaan werken, en je kunt de
zware zakken kattengrit niet tillen, dan moet je dit bij
je sollicitatie eerlijk aangeven. Als sollicitant ben je niet verplicht je hele
medische dossier ter inzage te geven. Maar je mag kwalen die je ongeschikt maken voor de functie waarnaar je solliciteert,
niet verzwijgen. Dit heeft het Gerechtshof in Arnhem bepaald in de zaak van een verkoper in een bloemenzaak. Deze had bij zijn sollicitatie verzwegen dat hij
rugklachten had. Toen hij later met rugklachten in de ziektewet belandde,
weigerde zijn werkgever het loon door te betalen. Dat was
terecht, oordeelde het Hof (9 november 2004, JAR 2005/81). Bron: Nieuwsbrief KvK Amsterdam, augustus 2005.
Een medische keuring is volgens de Wet Medische
Keuringen ook niet toegestaan, tenzij
de functie bijzondere lichamelijke eisen aan jou stelt
als werknemer. Indien je stoma of onderliggende ziekte
op geen enkele manier een belemmering is voor je
toekomstige baan, ligt het helemaal aan jezelf of je
verteld dat je een stoma hebt of niet. Iedereen is weer
anders. De een zal het liever verzwijgen uit schaamte of
omdat dit gewoon prettiger voelt, terwijl de ander het
fijn vind om het aan de werkgever en/of de collega's te
vertellen. Maar als je ermee zit dat je iets achterhoud,
vertel het dan, anders gaat het je in de weg zitten.
Openheid is toch vaak het beste. Vertel het eerlijk,
maar onderbouw goed waarvoor jij zo geschikt bent voor
deze functie. Als
je tijdens de sollicitatie niets over je stoma wilt
vertellen, is het wel goed om van tevoren na te denken
over onverwachte vragen, zodat je niet voor verrassingen
komt te staan.

Belangrijk is ook
om de werkgever op de voordelen te wijzen als je een
uitkering hebt. Open kaart spelen kan hierdoor voordelen
hebben. Zo kan de werkgever in het geval van het in dienst nemen/houden van een
"arbeidsgehandicapte"
in aanmerking komen voor premiekorting. Ook hoeft de
werkgever, wanneer je ziek uitvalt, niet het (volledige) loon door te betalen maar
heb je recht op een Ziektewetuitkering op grond van de zogeheten
no-risk-polis.
Deze polis is in het leven geroepen om de angst bij
werkgevers weg te nemen dat iemand met een
arbeidshandicap vaker en sneller ziek zal zijn dan
andere werknemers (uit onderzoek
blijkt overigens dat dit niet zo is). Indien je in de
WAJONG zit en niet in
staat bent hetzelfde te presteren dan je
collega's
zonder beperking, kan je werkgever loondispensatie
krijgen. Loondispensatie ontheft de werkgever van de verplichting om tenminste het wettelijke minimumloon te betalen. Het
UWV vult het loon van de Wajonger aan als het onder het minimumloon komt.
Ook is bij Wajongers een proefplaatsing mogelijk voor
maximaal 3 maanden, waarbij je de
uitkering behoud en je
werkgever (nog) geen loon hoeft te betalen. Je kunt dan
je werkgever laten zien wat jouw capaciteiten zijn en
hem ervan overtuigen dat je een goede werknemer bent! Voor
werkgevers is het ook belangrijk te
onthouden dat veel mensen die iets mankeren enorme
doorzetters zijn, juist omdat ze niet als patiënt gezien
willen worden. Iemand die nu gezond is, kan ooit ziek
worden. Mensen die hun grens al een keer hebben
overschreden, letten daar veel beter op.

Je hebt recht op eventuele aanpassingen op je werkplek. De
werkgever is verplicht om te zorgen voor een
toegankelijke werkplek, en onder bepaalde voorwaarden
worden de aanpassingen ook vergoedt door het UWV.
De ene stomadrager heeft hier geen behoefte aan, terwijl
de andere graag aanpassingen ziet om zich bijvoorbeeld
veiliger te voelen op de werkplek en meer op zijn of
haar gemak. Aanpassingen kunnen zijn: een
ergonomische stoel of een
speciaal kussen na een endeldarmverwijdering/
anusamputatie, een afvalbak (met deksel) op het toilet (vaak
is deze bij de vrouwen al aanwezig, maar bij de mannen
niet), bij het toilet een wasbakje met fonteintje, een
spiegel op het toilet om je stoma goed te kunnen
verzorgen, iets wat lucht afzuigt, goed
licht en een plek om je stomaspullen en
eventuele schone kleding neer te kunnen leggen. Een
verhoogd toilet is soms ook gewild, bijvoorbeeld bij een
erg slechte buik. Het kan ook zijn dat er tijdelijk iets
geregeld moet worden, zoals een plek om even te
rusten.
Kun je de druk of verantwoordelijkheid van een
betaalde baan (nog) niet aan omdat je
bijvoorbeeld nog teveel klachten hebt, dan kan het fijn
zijn om mee te kunnen blijven doen in de maatschappij.
Een optie is dan bijvoorbeeld vrijwilligerswerk.
Als vrijwilliger sta je minder onder druk.
Je kunt afbellen als je je niet goed voelt en je hebt
minder verantwoordelijkheden. Vrijwilligerswerk kan
ook weer een opstap zijn naar een baan in het
arbeidscircuit, je doet zo werkervaring op.
Werkgevers kijken namelijk vaak naar wat iemand
naast werk nog meer heeft gedaan. Wat heb je
bijgedragen aan de samenleving?
Bij het onderwerp mede gebruik gemaakt
van de bronnen: Crohniek van de
Crohn en Colitus Ulcerosa vereniging Nederland,
Arbo.nl,
Leren.nl, UWV perspectief en
UWV.nl
Naar boven
Inkomen
Naast inkomen uit een betaalde baan, kun je bij ziekte ook inkomen
krijgen door een uitkering. Hierboven werd er al over een aantal gesproken. Als
eerste de WAJONG. Dit is een afkorting van de Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening Jonggehandicapten. Op 1 januari 1998 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) in werking getreden. De wet biedt jonggehandicapten en studenten die arbeidsongeschikt zijn een
uitkering op minimumniveau. Het betreft
de groep arbeidsongeschikten die zich niet kunnen
beroepen op de WAO/WIA omdat ze geen arbeidsverleden hebben. Je hebt recht op
de Wajong als je in je jeugd geheel of gedeeltelijk
arbeidsongeschikt raakt. Arbeidsongeschikt ben je als je
door ziekte of handicap minder kan verdienen dan iemand
met dezelfde leeftijd en opleiding. Je
hebt er recht op als: je arbeidsongeschikt bent voor je
17e verjaardag. Je een student bent, jonger dan
30 jaar en tijdens je studie arbeidsongeschikt wordt waarvoor (volledig)
werken na je studie onmogelijk is. Je moet
ook aan een aantal voorwaarden voldoen: voor minstens
25% arbeidsongeschikt, langer dan 52 weken
aaneengesloten ziek, niet jonger dan 18 jaar en
niet
ouder dan 65 jaar. Zoals alle uitkeringen vraag je de Wajong aan bij het
UWV, waarna de verzekeringsarts en
arbeidsdeskundige bepalen of en voor hoeveel procent je
arbeidsongeschikt bent. Vraag je uitkering aan binnen 9
maanden na je 17e verjaardag, of, als je
arbeidsongeschikt bent geworden tijdens of kort na je
studie, binnen 9 maanden nadat je ziek bent geworden. Je hebt recht op een Wajong-uitkering wanneer
je 52 weken onafgebroken voor minstens 25 procent arbeidsongeschikt bent geweest. Er geldt dus een
wachttijd van een jaar.
Bij dit onderwerp gebruik gemaakt
van de bron:
Wajongmagazine
De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) werd op 29 december 2005 vervangen door de
WIA; de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
De WAO blijft bestaan voor mensen die in de WAO zitten. Wel kun je worden herkeurd volgens nieuwe strengere criteria, al dan niet met gevolgen voor de uitkering. Als
je na twee jaar ziekte voor een deel of helemaal niet meer kunt werken, kun
je in aanmerking komen voor een uitkering volgens de
WIA. In deze uitkering staat werk voorop. Het accent in de wet ligt op wat mensen nog
wel kunnen. Door middel van financiële prikkels worden
werkgevers en werknemers gestimuleerd er alles aan te doen om gedeeltelijk arbeidsgeschikten aan het werk te helpen of te houden. Tegelijkertijd is er
inkomensbescherming voor mensen die echt niet meer aan de slag kunnen komen. De WIA bestaat uit
twee delen: de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) en de Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA).
Als je volledig arbeidsongeschikt bent en de kans dat je weer herstelt erg klein
is, dan krijg je een IVA-uitkering. Iedereen die
gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, kan in aanmerking komen
voor een uitkering op grond van de WGA. Door de
invoering van de WIA is de Wet re-integratie
arbeidsgehandicapten (Wet REA) vervallen. De Wet REA is
deels opgenomen in de WIA en deels in de Wajong.
Als je ziek wordt en geen werkgever (meer) hebt, kun je
‘ziekengeld’ ontvangen. De Ziektewet voorziet hierin.
Een ziektewetuitkering vraag je ook aan bij het
Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). Het
UWV is ook verantwoordelijk voor de verzuimbegeleiding
en re-integratie. Je kunt bijvoorbeeld voor de ziektewet
in aanmerking komen als: je tijdelijke arbeidscontract
afloopt tijdens je ziekte, je een Werkloosheidswetuitkering (WW)
ontvangt en ziek wordt, je ziek wordt als gevolg van
zwangerschap en bevalling. Wanneer
je in loondienst werkt, heb je tijdens je zwangerschapsverlof recht op een uitkering op grond van de
Wet arbeid en zorg. Maar als
je door je zwangerschap vóór of na de bevalling ziek
wordt, ontvang je een Ziektewetuitkering of je bent gedeeltelijk arbeidsgeschikt en wordt ziek binnen vijf jaar nadat
je bent aangenomen. Je werkgever hoeft dan niet je loon door te betalen, maar
je ontvangt een Ziektewetuitkering (no-risk-polis).
En
dan een uitkering als je een eigen bedrijf hebt. Alleen zelfstandige ondernemers die voor 1 augustus 2004 arbeidsongeschikt zijn geworden kunnen nog een
WAZ-uitkering
(Wet arbeid en zorg) krijgen. Als
je nu arbeidsongeschikt wordt, moet je zelf voor een
vervangend inkomen zorgen. Je
kunt dit doen door: een ‘gewone’ particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering af te sluiten,
een 'individuele arbeidsongeschiktheidsverzekering tegen
collectieve voorwaarden' af te sluiten. Dit is mogelijk
via diverse branche- en beroepsorganisaties. Ook
organisaties voor zelfstandigen, zoals de Vereniging
Platform Zelfstandige Ondernemers (PZO), CNV
Zelfstandigen en FNV Zelfstandigen bieden hun leden deze
mogelijkheid, een vrijwillige Ziektewetverzekering en/of WIA-verzekering bij UWV af te sluiten. Deze verzekering geldt als
je als werknemer of vanuit een uitkering de start maakt naar zelfstandig ondernemerschap. Ook is er een
vangnetregeling. De alternatieve verzekering is een arbeidsongeschiktheidsverzekering die bedoeld is voor
moeilijk verzekerbare risico’s. Ondernemers die eerder voor een reguliere verzekering door een verzekeraar
geweigerd werden of alleen met premieopslag en/of
uitsluitingen geaccepteerd werden, kunnen een beroep doen op de vangnetverzekering.
Voor de alternatieve verzekering kunt je in aanmerking
komen als je: als startende ondernemer moeilijk verzekerbaar blijkt door bijvoorbeeld een hoog risico op arbeidsongeschiktheid, en
je zich binnen drie maanden na de start van het bedrijf
meldt voor de alternatieve verzekering bij een
particuliere verzekeraar; je als zelfstandige na
herkeuring weer volledig aan het werk kunt en daarmee je WAZ-uitkering verliest.
Bij dit onderwerp gebruik gemaakt
van de bron:
Ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid
Veel mensen zitten toch wel tegen de (her)keuring van het UWV op. De
één wil graag (weer) aan het werk en is bang dat de keuringsarts/arbeidsdeskundige hierover een
ander oordeel heeft, terwijl de ander voelt dat hij of zij (nog) niet aan het
werk kan, en juist bang is dat de arts/deskundige dit wel vind. Belangrijk is het
dan ook om je goed voor te bereiden. Allereerst kan het heel prettig zijn om
iemand mee te nemen. Je partner, familielied of iemand van een belangengroep.
Twee weten en horen vaak meer dan één. Vraag je arts(en) om je
medische situatie te beschrijven. Neem de brief of aantekeningen van
je arts mee naar het gesprek. Zet op een rijtje tegen welke problemen je in het
dagelijks leven aanloopt door je ziekte en/of stoma. Welke
dingen kun je wel en welke niet? Geef duidelijke voorbeelden. Bedenk hoe een
doorsnee dag eruit ziet. Maar beschrijf ook een goede dag
en een slechte dag en geef aan hoe vaak die voorkomen.
Zet alles op papier, ook je vragen en neem deze mee naar het gesprek. Neem ook
je medicijnen mee. Patiëntenorganisaties en belangengroepen kunnen je helpen bij de voorbereiding. Door zelf
actief mee te denken, houd je zelf ook de regie in handen. Je plan is gericht op
jouw eigen toekomst. Het is dus belangrijk dat je daar actief bij
betrokken bent.
De keuring bestaat meestal uit twee delen: een onderzoek door één of twee
verzekeringsartsen
(gesprek en soms ook een lichamelijk onderzoek) en een onderzoek door één of twee
arbeidsdeskundigen.
De verzekeringsarts brengt je medische situatie in kaart: welke klachten en beperkingen heb
je? Hij stelt je 'belastbaarheid' voor werk vast. Als de verzekeringsarts genoeg
informatie heeft, vult hij je beperkingen in op een lijst: de functionele mogelijkheden lijst (FML). De lijst bestaat uit
zes categorieën: persoonlijk functioneren en sociaal functioneren (bijvoorbeeld concentratie, flexibiliteit, werktempo en omgang met collega's), de werkplek, bewegen, statische houdingen (zoals zitten en staan) en werktijden (aantal uren en tijdstippen). De
verzekeringsarts kijkt niét welk werk
je eventueel nog kunt doen: dat doet de arbeidsdeskundige.
De arbeidsdeskundige komt er niet aan te pas als de verzekeringsarts vindt dat u helemaal niet meer kunt werken. De arbeidsdeskundige bekijkt wat voor werk je nog kunt doen en wat je daarmee kunt verdienen. Al het werk dat 'algemeen geaccepteerd' is, komt in aanmerking. Dit kan van alles zijn:
je eigen werk bij je oude werkgever of een andere werkgever, of ander werk.
De arbeidsdeskundige houdt geen rekening met je beroep en opleidingsniveau. Hij kijkt dus ook naar werk dat
onder
je niveau ligt. Maar hij mag geen beroepen selecteren waarvoor je de opleiding of capaciteiten
mist. Tenzij het gaat om eenvoudige vaardigheden die
je binnen enkele maanden kunt leren. De arbeidsdeskundige
selecteert een aantal beroepen die
je nog kunt uitoefenen. Hij maakt daarbij gebruik van een computersysteem: het
CBBS. In dit systeem zijn beschrijvingen opgenomen van allerlei beroepen
(functies) die in Nederland voorkomen. Per functie is aangegeven wat voor werk
je moet doen, hoe zwaar het werk is, welke opleiding je ervoor nodig hebt en welk loon
je ermee kunt verdienen. Ook staat erbij hoe vaak de functie minimaal voorkomt
in Nederland. Dat is het aantal arbeidsplaatsen. Arbeidsplaatsen zijn dus geen
vacatures, maar bestaande werkplekken. Als er
ten minste drie geschikte functies
met voldoende arbeidsplaatsen zijn, kan de arbeidsdeskundige je
arbeidsongeschiktheidspercentage berekenen. Dit bepaalt de
hoogte van je
uitkering. Kan de arbeidsdeskundige geen drie functies vinden? Of hebben de
functies te weinig arbeidsplaatsen? Dan ben je volledig arbeidsongeschikt.
Je hebt recht op een verslag van de gesprekken. Ook mag je jouw
dossier inzien. Dat moet
je wel schriftelijk aanvragen bij jouw UWV-kantoor.
Bij dit onderwerp gebruik gemaakt
van de bron:
Kennisring
Voor links over de onderwerpen op deze pagina:
Stomalinks
|